Hoe stigma onder jongeren ontstaat en waarom het hen leert zwijgen

Stigma onder jongeren is zelden iets dat hard wordt uitgesproken. Het zit meestal niet in openlijke afwijzing of pesten, maar in kleine, alledaagse reacties. In het wegwuiven van gevoelens, in grappen die net te ver gaan, of in de stilte die valt zodra een gesprek persoonlijk wordt. Juist omdat stigma zo subtiel is, blijft het vaak onopgemerkt — terwijl de impact groot is. In maatschappelijke en psychologische literatuur wordt stigma omschreven als een negatief oordeel dat aan mensen of groepen wordt gekoppeld op basis van gedrag, gevoelens of kenmerken. Dat oordeel hoeft niet expliciet te zijn om effect te hebben. Jongeren voelen feilloos aan wat wel en niet binnen de norm valt. Ze leren niet alleen door wat er gezegd wordt, maar vooral door wat wordt genegeerd of ongemakkelijk gemaakt.


De gevoeligheid van de adolescentiefase

De reden dat stigma juist in de adolescentie zo’n diepe sporen nalaat, heeft alles te maken met ontwikkeling. 
Volgens het Nederlands Jeugdinstituut is deze levensfase cruciaal voor identiteitsvorming. Jongeren zijn bezig te ontdekken wie ze zijn, waar ze bij horen en hoe ze zich verhouden tot anderen. In die zoektocht wordt de mening van leeftijdsgenoten steeds belangrijker, terwijl de angst voor afwijzing toeneemt. In zo’n context worden sociale normen bepalend. Jongeren leren zichzelf voortdurend te spiegelen aan hun omgeving. Ze letten op wat gewaardeerd wordt en op wat ongemak oproept. Wanneer kwetsbaarheid niet wordt beantwoord met erkenning, maar met relativering of stilte, trekken jongeren hun eigen conclusies. Niet omdat iemand dat expliciet zegt, maar omdat het zo voelt.

 

Wanneer maatschappelijke oordelen naar binnen slaan

Wat stigma extra schadelijk maakt, is dat het zich niet beperkt tot de buitenwereld. Onderzoek laat zien dat jongeren negatieve beelden en oordelen gemakkelijk internaliseren. Dit proces van zelfstigma zorgt ervoor dat jongeren hun eigen gevoelens gaan wantrouwen of veroordelen. Ze kunnen het idee krijgen dat ze zwak zijn, dat ze overdrijven, of dat ze hun problemen zelf moeten oplossen. Psychiatrisch onderzoek, onder andere gepubliceerd in het Tijdschrift voor Psychiatrie, laat zien dat zelfstigma samenhangt met schaamte en een lagere bereidheid om hulp te zoeken. Jongeren praten minder, niet omdat ze niets te zeggen hebben, maar omdat ze bang zijn voor hoe hun verhaal ontvangen wordt. Zo ontstaat een zwijgcultuur waarin worstelingen onzichtbaar blijven.

 

De rol van sociale normen en vergelijking

Die zwijgcultuur wordt versterkt door de manier waarop jongeren zichzelf vergelijken met anderen. Onderzoek van onder meer het Trimbos-instituut en TeamAlert laat zien dat jongeren sociale normen structureel overschatten. Ze denken vaak dat anderen sterker zijn, minder twijfelen en beter weten wie ze zijn. Sociale media versterken dat beeld, doordat vooral succes, plezier en controle zichtbaar zijn.

Het gevolg is dat jongeren die zich anders voelen, zichzelf sneller als uitzondering zien. Stigma krijgt hier een paradoxale vorm: hoe normaler het leven van anderen lijkt, hoe groter de neiging om je eigen worsteling te verbergen. Niet omdat die er niet mag zijn, maar omdat niemand lijkt te laten zien dat hij of zij ermee worstelt.

 

Waarom voorlichting alleen niet volstaat

In reactie op deze problematiek wordt vaak ingezet op voorlichting. Scholen en instellingen besteden aandacht aan mentale gezondheid, sociale vaardigheden en weerbaarheid. Hoewel deze initiatieven waardevol zijn, wijzen meerdere onderzoeken erop dat kennis alleen stigma niet wegneemt. Jongeren weten vaak prima wat mentale gezondheid is, maar voelen zich nog steeds geremd om het persoonlijk te maken. Het Trimbos-instituut benadrukt dat stigma vooral vermindert wanneer jongeren zich veilig voelen om te spreken zonder dat er direct een oordeel, oplossing of label volgt. Het verschil zit niet in wát er verteld wordt, maar in hóe er geluisterd wordt. Zolang gesprekken vooral informerend of corrigerend zijn, blijft kwetsbaarheid iets om te vermijden.

 

De kracht van herkenning en gelijkwaardigheid

Wat wel werkt, is herkenning. Wanneer jongeren merken dat hun gevoelens niet uitzonderlijk of verkeerd zijn, maar menselijk, verschuift er iets. Persoonlijke verhalen spelen hierin een belangrijke rol, omdat ze afstand verkleinen. Ze maken abstracte thema’s concreet en laten zien dat worsteling niet betekent dat je faalt.
Onderzoek en praktijkervaring laten zien dat jongeren hun mening niet per se radicaal veranderen na het horen van een persoonlijk verhaal. Wat wél verandert, is hun houding. Ze worden minder snel oordelend en meer bereid om te luisteren. Stigma verdwijnt niet ineens, maar verliest zijn scherpte.

 

Van zwijgen naar ruimte

Stigma onder jongeren verdwijnt niet door te zeggen dat iedereen zichzelf mag zijn. Het verdwijnt wanneer jongeren daadwerkelijk ervaren dat er ruimte is voor twijfel, ongemak en kwetsbaarheid. Dat vraagt om omgevingen waarin niet alles direct benoemd, opgelost of genormaliseerd hoeft te worden. Wanneer die ruimte ontstaat, blijkt dat jongeren verrassend open zijn. Niet omdat ze geholpen willen worden, maar omdat ze serieus genomen willen worden. Niet om een label te krijgen, maar om hun verhaal te mogen vertellen. Precies daar begint het doorbreken van stigma: niet bij het corrigeren van gedrag, maar bij het erkennen van menselijkheid. Dit artikel is gebaseerd op inzichten uit onderzoek en publicaties van onder andere het Nederlands Jeugdinstituut, het Trimbos-instituut, TeamAlert, Samen Sterk zonder Stigma en het Tijdschrift voor Psychiatrie (Sikkes & Blaauw).

Vragen?
Of benieuwd wat
De Dialoogmakers
voor jouw organisatie kan betekenen?

Relevante artikelen

Hoe jongeren verslaving zien: tussen stigma, beelden en werkelijkheid

Lees meer

Verslaving is geen keuze, maar een overlevings­mechanisme

Lees meer

Hoe mijn persoonlijke verhaal uitgroeide tot een lesprogramma voor scholen

Lees meer